Boven de poolcirkel

Het is vannacht licht. De hele nacht kan je op de dekken heen en weer wandelen, tot je er gek van wordt. Of tot ik er gek van word, want ik ga mijn bed in en dus wandelen ze over mijn hut. Het kraakt weer boven mijn hoofd.

Het leven op een cruiseschip als passagier is vermoeiend. Je hoeft de hele dag niks. Alles wat je aan vaat gebruikt, verdwijnt soms al voor je het neergezet hebt. Als je handdoeken gebruikt, dan worden ze gewassen. Zelfs als je ze ophangt om weer te gebruiken, worden ze gewassen. En drie keer per dag vind ik een gevouwen hoekje in het toiletpapier. Ze vervelen zich vast ook wel een beetje.

Tweehonderd plus man (m/v) als ondersteuning voor 300 plus passagiers (m/v). Serieus, dat is zwaar verlies lijden. En toch, met het voortijdige einde van deze serie cruises in het vooruitzicht, blijft het personeel supersympathiek. Putu, mijn steward, komt uit Bali. Hij komt soms al bijna open doen voor me, als ik mijn portemonnee pak voor mijn sleutelkaart. En dan duik ik mijn hut in met een snelle dank, want het benauwd me een beetje. En dan ligt mijn pyjama weer in een creatieve vorm gedrapeerd op mijn opengeslagen bed.

Putu heeft de hint gesnapt. Vannacht neem ik het andere bed. Van dat kleine beetje licht en die kou van de buitenwand word ik wakker. En dan neemt de nieuwsgierigheid over en kijk ik naar buiten en zie…een eerste ijsberg. Hoe kan je dan nog blijven slapen? En met mijn tomaatrode neus van een te lange stevige poolzon tuur ik lang de tender naar dat witte stukje ijs. Als een klontje in een grote zee drijft het daar, naast het schip. En ik drijf mezelf naar de douche, want ik ga mijn bed uit. Tenslotte is het al licht. De hele nacht al.