De reis van Toronto naar Kingston was behoorlijk lang. Niet omdat de afstand zo groot is, maar omdat ik zoveel wilde zien.
Port Hope. Mooi stadje, met idylische omgeving. Tot je in een leuke-dingen-winkel staat en je luistert een gesprek af van een klant met de eigenaresse. Ja, al die “boarded shops”, de toeristen snappen er niks van. Maar met haar verhuizing naar de hoofdstraat ging het al beter met haar winkel.
Leuke winkel. Sieraden, boekjes, dingetjes en frutjes. Zo eentje waar ik me moet beheersen. Dat is voor mij een goede graadmeter. Maar hoe moet zij daar overleven? Zo druk is het niet aan toeristen. De volgende winkel is de supermarkt, met de nadruk op super. Crisis, wat zijn die diengen groot. En wat is alles groot wat erin staat. De zakken chips zijn groter, de potten jam zijn groter, de flessen fris zijn groter. Hoezo worden ze hier ook vet?
Maar ik kom een eind weg met flessen water, brood, beleg en een minipotje (normale Nederlandse maat) jam. De kaas skip ik, nou ja, behalve de lachende koe, want smeerkaas is wel een dag of twee goed te houden. Een kilopak kaasplakjes kan ik niet in een hete auto laten liggen. Goed voor de lunch.
Doorgassen naar Prince Edward County. Ik skip maar weer wat, want ik heb de tijd er gewoon niet voor. Elke afstand kost zeker 15% meer tijd. Beetje zoals het geld hier.
Als je hier iets wil betalen, dan moet je bij op het bedrag wat op elke aankondiging staat iets van 13% tax rekenen. Zouden wij excl tax schrijven, staat hier incl tax achter het bedrag. Dat betekent dat het er nog bij komt, logisch toch? Het verneukeratieve ervan is dat ik het wel steeds vergeet. Dus ipv de 0,7 factor tussen Canadese dollars en de Euro, probeer ik te rekenen met 0,8. Voor eten reken ik met 1:1. Naast de tax komt er ook nog bediening bij. 15 voor gewoon tot 20 procent voor tevreden. Pfff schat, het is je werk. Zoals klappen bij de landing van een vliegtuig, ook al stuiter je hard over de landinsgbaan. Nee, geef mij applaus na college, ook al heb je je knap verveeld.
In ieder geval, mijn Navmii helpt me de wereld over, soms met een omweg. En dan sta je ineens voor een poortje om weer grof geld te betalen om een stukje land te mogen betreden. Een national park. En met een kaartje in de hand zoek ik nog de sights, maar ergens hebben die Canadezen geen gevoel voor toeristen. Dus de helft gemist, maar heb het strand gevonden. Die zocht ik niet trouwens. Wel mooi.
De omgeving is mooi, maar laten we niet overdrijven. Little Bluffs is ook echt gewoon een stukje rots aan een strand. En even relaxen op dat strand met uitzicht op de boten die daar aanmeren is ook niet echt ontspannend. Tussen de stenen op dit strand kruipen dikke zwarte spinnen. En daar rijd je dan een half uur voor om.
Hoogtepunt is een gesprekje met twee sportvissers bij Lake On The Mountain. Mooi stukje Canada. En daar staan twee bolle mannen met hun ruitjesjasjes en jeans, hengeltjes over de brug. Dikke nepwormen bewegen boven het water. Vlak eronder hangt het haakje, nog steeds ruim boven de waterspiegel.
“You caught a worm?” De mannen kijken me eerst wat vreemd aan, maar moeten dan toch lachen. Nee, dat was het toch niet.
“You’re hoping the fish will jump?” Nu weten ze wel dat ik ze een beetje zit te jennen. Ze lachen breed, waarbij de één met een grote glimlach nog vier resterende voortanden zichtbaar geeft. Wat een mannetje, geinig, bijna schattig. “The worm was cold”, krijg ik als reactie. En met mijn Delfste achtergrond: “It shrunk?”
Okay, ijs gebroken, vrouw is vreemd maar grappig, dus even gepraat. En toen ik een uurtje later het restaurant uitkwam, reden ze net weg. Ik weet niet of ze iets gevangen hebben, maar ik wel. Ze zwaaiden enthousiast naar me vanuit hun vette Amerikaanse auto. Lief.
Ondertussen moest ik nog met de pont…pond?…ferry naar het vaste land en nog een uurtje doorgassen. Pffff.Uiteindelijk veel gereden, weinig echt spectaculairs gezien, begon wat te twijfelen aan Canada. Ik was ondertussen zo moe, blij dat ik in Kingston in mijn bedje kon.
